Angst voor inflatie
De Europese Centrale Bank (ECB) verhoogt de rente opnieuw. Of deze trend zich voortzet, hangt ook af van de ontwikkelingen in het Midden-Oosten, aldus Julian Marx, onderzoeksanalist bij Flossbach von Storch.
Het is bijna precies een jaar geleden dat de Europese Centrale Bank (ECB) haar belangrijkste rentetarieven voor het laatst heeft aangepast. Destijds, in juni 2025, voerde zij haar achtste renteverlaging in twaalf maanden door. Hierop volgde een korte periode van rust op monetair beleidsgebied, die echter abrupt werd beëindigd door de luchtaanvallen op Iran eind februari en de daaropvolgende blokkade van de Straat van Hormuz. Sindsdien staan zorgen over de inflatie centraal in het werk van de centrale bankiers. De energieprijzen in de eurozone lagen onlangs ongeveer 11 procent hoger dan een jaar geleden.
Zoals Isabel Schnabel, lid van de Raad van Bestuur van de ECB, al in mei opmerkte, lijkt de volgende conclusie vrij voor de hand te liggen: „Gezien de omvang en de hardnekkigheid van de huidige schok is afwachten naar mijn mening geen optie meer. De schok […] betekent dat de inflatie gedurende een langere periode zal afwijken van onze doelstelling.”
Daarom voelden de centrale bankiers zich genoodzaakt om bij hun laatste rentebesluit actie te ondernemen en verhoogden zij de depositorente van 2,0 naar 2,25 procent.
Het basisscenario van maart behoort tot het verleden
Met deze laatste renteverhoging geeft de ECB dus een eerste signaal af dat zij de toenemende opwaartse inflatierisico’s serieus neemt. De inflatie in de eurozone lag in mei immers met 3,2 procent al aanzienlijk boven de doelstelling van 2 procent, en ook de kerninflatie – waarbij de volatiele voedsel- en energieprijzen buiten beschouwing worden gelaten – bereikte 2,5 procent, het hoogste niveau sinds april 2025.
Daardoor wordt het steeds duidelijker dat het optimistische basisscenario dat de ECB in haar prognoses van maart publiceerde, waarschijnlijk niet zal uitkomen – in dat scenario gingen de centrale bankiers uit van een gemiddeld jaarlijks inflatiecijfer van 2,6 procent in 2026. Door het aanhoudende conflict in de Perzische Golf evolueert het inflatiebeeld in plaats daarvan in de richting van de ongunstige scenario’s van maart.
Dit wordt ook onderstreept door de meest recente ramingen van juni, waarin de staf van de ECB ervan uitgaat dat de inflatie in de eurozone dit jaar in het beste geval 3,0 procent zou kunnen bedragen en ook volgend jaar met 2,3 procent iets boven de inflatiedoelstelling zal blijven. Tegelijkertijd blijven de groeivooruitzichten voor de eurozone zwak. Voor dit jaar verwacht de ECB in haar basisscenario een magere reële groei van slechts 0,8 procent.
De tijdsfactor
Aangezien de onstabiele situatie in de Perzische Golf aanhoudt, herziet de ECB haar inflatieprognoses dan ook naar boven. De vooruitzichten blijven echter gekenmerkt door enorme onzekerheid: naarmate het conflict voortduurt, wordt de kans op verdere prijsstijgingen op de oliemarkt steeds groter. Dit komt doordat, in tegenstelling tot tijdens de energiecrisis van 2021/2022, de wereldwijde oliereserves volgens het Internationaal Energieagentschap (IEA) aan het begin van dit jaar aanzienlijk beter gevuld waren dan vier jaar eerder.
De sluiting van de Straat van Hormuz en de daaruit voortvloeiende aanbodschok troffen de markten daarom vanuit een veel gunstiger uitgangspositie. Maar ook deze buffer slinkt. Zo is de Amerikaanse Strategic Petroleum Reserve in de drie maanden sinds het begin van het conflict met Iran al met 58 miljoen vaten olie gekrompen.
Het zijn echter niet alleen de omvang en de duur van de stijging van de energieprijzen die een centrale rol spelen bij de beoordeling van de inflatievooruitzichten. Ook de beoordeling van mogelijke tweede-ronde-effecten is van groot belang. In dit verband zien centrale bankiers steeds meer tekenen dat de gevolgen van het conflict zich uitbreiden naar andere onderdelen van het consumentenpakket. Een belangrijke indicator zijn de verkoopprijsverwachtingen van bedrijven. Volgens de meest recente enquête van de Europese Commissie blijft het aandeel van bedrijven dat van plan is hun verkoopprijzen in de komende drie maanden te verhogen, ruim boven hun langetermijngemiddelden. Bovendien wijzen enquêtes van de ECB erop dat de inflatieverwachtingen van consumenten niet alleen op korte termijn, maar ook op middellange termijn zijn gestegen.
Ook de loonontwikkelingen zijn vanuit monetair-beleidsmatig perspectief relevant. Deze zijn echter moeilijker in te schatten, aangezien loononderhandelingen in fasen plaatsvinden en collectieve arbeidsovereenkomsten doorgaans een lange looptijd hebben. Daardoor zullen concrete gegevens over de lonen pas na een aanzienlijke vertraging beschikbaar komen – tijd die de ECB echter niet heeft, mochten prijsstijgingen op de energiemarkt in de komende kwartalen een merkbare, zichzelf versterkende inflatiedynamiek in gang zetten.
Gunstige uitgangsvoorwaarden voor de bestrijding van de inflatie
Net als vier jaar geleden dwingen externe factoren de ECB nu tot actie. In tegenstelling tot toen is het huidige uitgangspunt echter veel gunstiger. Niet alleen omdat de combinatie van de oorlog in Oekraïne en de door de pandemie veroorzaakte knelpunten in de toeleveringsketens destijds tot veel sterkere prijsstijgingen leidde, waardoor de inflatie in het najaar van 2022 tijdelijk boven de 10 procent uitkwam. Van dergelijke prijsstijgingen zijn we momenteel nog ver verwijderd. Bovendien starten de monetaire autoriteiten van de eurozone hun hernieuwde „twee-procent-missie“ niet vanuit een uitgangspositie van nul- of negatieve rentetarieven, zoals in 2022, maar vanuit een neutraal renteniveau. Ook deze factor neemt een deel van de druk weg bij de centrale bankiers om in te grijpen.
Niettemin moeten de recente stijgingen van de energieprijzen zeer serieus worden genomen. Het is belangrijk om het risico dat de inflatieverwachtingen ‘losraken’ nauwlettend in de gaten te houden. Daarom zijn verdere renteverhogingen dit jaar denkbaar. Gezien de grote onzekerheid is het echter moeilijk om het aantal en het tijdstip van eventuele renteverhogingen te voorspellen.
Het enige dat duidelijk is, is dat de ECB zich, zoals gewoonlijk, zal concentreren op het analyseren van de veranderende gegevens en zal proberen om tijdens een turbulente fase zo goed mogelijk geen aandacht te schenken aan het ‘geroezemoes op de markt’. Het is geen toeval dat econome Isabel Schnabel onlangs vol vertrouwen verklaarde: „Wij zijn het die de markt sturen. Het is niet de markt die ons stuurt.”
Serge Vanbockryck